stad en ommelan
De onderhoudsman van de woningbouwvereniging kwam langs. Heerlijk werk lijkt me dat. Een beetje WD40 in de sloten sprayen, ondertussen lekker kletsen en bij de mensen naar binnen gluren. Ik weet van hem nu al meer dan van mijn buren naast wie ik al drie jaar woon.
Het was een echte Grunniger van in de vijftig. “Woar kom jij vandoan? Frieslaand? Dan best zeker noar Grunn’n gekomen voor een beetje opvoeding, met mes en vork eten enzo, hahaha”.
Hij vertelde hoe hij was opgegroeid in de stad, maar toch eigenlijk ook in het ‘ommelan’. Altijd de weilanden in en altijd viel er dan wel iemand in de sloot. Maar je mocht niet met een nat pak thuiskomen, want dan werd moeder boos. Dus verzamelden ze riet om in de fik te steken. Met lucifers, want aanstekers bestonden nog niet. Ook in de winter stonden ze dan, al bibberend, poedelnaakt hun kleren droog te wapperen boven het vuur. Natuurlijk rook moeder dat dan wel.
Tegenwoordig fietste hij vaak met zijn vrouw langs de dijk, en hij kon het dan niet laten om van zijn fiets te klimmen om over het weiland te kijken en aan vroeger te denken. Hij werd er melancholisch van.
Daarna begon hij nog over welke spelletjes ik kende. Of ik wel monopolie kende en mens-erger-je-niet en rummikub. Daar kon ik wel over meepraten en toen werd ook ik melancholisch.
De deur naar de steeg deed hij maar niet, want: “daar zat zo’n mooie spin net voor”. Daar moest ik maar even een foto van maken.
Heerlijk werk.







