draaiorgel
Zaterdag stond hij ineens weer op de markt, de draaiorgelman. Laat het duidelijk zijn, ik ben geen liefhebber van de draaiorgelman en zijn ‘Pronkjewail’. Het is het geheel wat me niet aanstaat. Niet alleen de muziek, die allang niet meer oud-hollands is, maar de nieuwste Frans Bauer omgezet voor het draaiorgel, het is ook die vieze vadsige draaiorgelman, die, als je de omvang van zijn pens bekijkt, beter door had kunnen gaan met het handmatig draaien van het orgel, in plaats van lui met zijn collectebus voor het electrisch aangedreven orgel te staan. Voor het gemak is het hele ding ook maar op een aanhanger gemonteerd en wordt met zo’n bagage-tractor, die ze op vliegvelden gebruiken, door de stad getrokken. Leg mij maar eens uit op welke manier dat nog nostalgisch is!
Soms, als ik me weer eens sta te ergeren, droom ik wel eens weg…
Stel dat ik zo rijk was dat ik dat draaiorgel op kon kopen en voor de ogen van de draaiorgelman het spelende draaiorgel in de brand zou steken (het liefst met een vlammenwerper). Dan zou ik tegen de draaiorgelman zeggen: “Toe maar, schud maar met dat busje.” En dan zou ik kijken naar het brandendende draaiorgel, totdat alleen die vieze draaiorgelman daar nog zou staan; rammelend met zijn collectebus, met achter zich de rokende puinhopen van iets wat ooit zijn draaiorgel was. Ik geniet zo van dat beeld dat mijn nekharen overeind gaan staan van genot.
En dan trekt Tera aan mijn arm en zegt: “Je moet je niet altijd zo opwinden over dat draaiorgel.” Dan grom ik nog wat en lopen we rustig verder.






